私は日本から来ています。 Ik kom uit Japan.
私達は日本から来ています。Wij komen uit Japan.
あなたは日本から来ています。 Jij/U komt uit Japan.
あなた達は日本から来ています。Jullie komen/ U komt uit Japan.
彼は日本から来ています。Hij komt uit Japan.
彼女は日本から来ています。Zij komt uit Japan.
それは日本から来ています。 Het komt uit Japan.
彼ら/彼女ら/それらは日本から来ています。Zij komen uit Japan.
一人称 / 二、三人称 / 複数
<基本>
Werk / Werkt / Werken
Kom / Komt / Komen
Vlieg / Vliegt / Vliegen
Fiets / Fietst / Fietsen
Rijd / Rijdt / Rijden
Vaar / Vaart / Vaaren
Verhuis / Verhuist / Verhuizen
Schrijf / Schrijft / Schrijven
Blijf / Blijft / Blijven
geef / geeft / geven
hoor / hoort / horen
Maak / Maakt / Maken
Spreek / Spreekt / Spreken
Studeer / Studeert / Studeren
Laat / Laat / Laten
Leer / Leert / Leren
Eet / Eet / Eeten
Laad / Laadt / Laden
Baad / Baadt / Baden
Loop / Loopt / Lopen
Zit / Zit / Zitten
Pak / Pakt / Pakken
Zwem / Zwemt / Zwemmen
<例外的な動詞の変化>
DOEN する doe / doet / doen
GAAN 行く ga / gaat / gaan
SLAAN 打つ sla / slaat / slaan
STAAT 立つ sta / staat / staan
ZIEN 見る zie / ziet / zien
【単語帳・動詞の最新記事】


